Terug naar het begin

En toen ik vanochtend wakker werd
schoot het me te binnen.
Ik weet wat me te doen staat en ik weet dat ik het kan.
Nu wel.

Dit voelt nieuw.
Kunstmatig geluk
Weet je nog die ene keer?
Zo wil ik mij weer kunnen voelen.
Ik verlang naar je

Ik houd ervan als je mijn naam schreeuwt.
Dat geeft me het gevoel dat je me nodig hebt.

Ik houd ervan om je vast te binden aan de metalen spijlen van het bed, het ruwe touw strak om jouw polsen getrokken.
De blauwe plekken die de volgende ochtend zichtbaar zijn.

Ik houd ervan om jouw billen tegen mijn bekken te zien stoten, mijn handen ruw op jouw heupen.
De rode afdrukken die verschijnen, nadat ik mijn vlakke hand hard op jouw kont laat neerkomen.

Ik houd van mijn nagels in jouw huid, jouw vlees.
De striemen die nog een paar dagen op jouw rug blijven staan.

Ik houd van mijn handen om jouw nek.

Je vertrouwt me, geeft je elke keer weer aan mij over. Jouw lot in mijn handen.
Maar vannacht zijn we te ver gegaan. Ben ik te ver gegaan.

Nu lig je naast me op je rug, je polsen nog steeds vastgebonden aan het bed.
Je beweegt niet. Al een tijdje niet meer.

Ik houd van jou, maar ik denk dat het nu te laat is.

Waarom kan ik niet gewoon gelukkig zijn.
Jouw sterke handen die mij mijn adem ontnemen, net zoals de eerste keer dat ik je zag.
Voorgoed, dit keer

Ik kijk naar hoe je ademhaalt, hoe je borstkas op en neer beweegt.
Zo ontzettend beheerst, ritmisch en kalm. Zo angstaanjagend vredig.

Ik wil mijn vingers strakker om je nek leggen,
mijn nagels in je huid zetten.
Ik laat striemen achter. Donkerrood gekleurd, bijna paars.

Verdomme, wat ben je mooi.

Wat ben je breekbaar.

Ik haat je niet, allerminst. Ik bemin je, aanbid je.

Ik wil je aanraken, je liefhebben, maar je laat me niet.

Je liet me niet.

Mijn benen fietsen, niet ik, het gaat als vanzelf. Het licht reflecteert in de ruiten van de flats langs de weg, weerkaatst op mijn gezicht. Ik knijp mijn ogen een stukje dicht, kijk tussen mijn wimpers door. De wereld kleurt roder, warmer. Mooier, zou ik bijna zeggen, maar ik weet beter.
Alles flitst aan me voorbij. Herinneringen, waarnemingen, gedachtes.
Misschien denk ik wel te veel.

Dialoog

Zij zegt: “Ga niet weg.”
Hij heeft de deurknop al in zijn hand.
“Niet nu, alsjeblieft.”
Hij zucht, laat de deurknop los, draait zich om. “Wanneer dan wel? Wanneer komt een goed moment om weg te gaan?”
Zij neemt een hap lucht, maakt aanstalten om wat te zeggen, maar houdt dan haar adem in, zwijgt.
“Nou?” Dringt hij aan, zonder echt een antwoord te verwachtten, te willen.
Een klein, zacht geluid verlaat haar keel. “Ik weet het niet.”
Hij zucht opnieuw.
“Waarom wil je niet blijven?” vraagt zij, maar ze weet het antwoord al.
Na elke heftige vrijpartij staat hij op, keert hij haar de rug toe. Hij kleedt zich aan, zegt gedag, soms, en verlaat haar huis. Hij vlucht, schaamt zich, maar kan toch niet zonder haar, op een bepaalde manier.
“Hier hebben we het al zo vaak over gehad,” antwoordt hij licht geïrriteerd. “Waarom wil je eigenlijk zo graag dat ik blijf?” maar ook hij weet het antwoord al.
Zij haalt zo veel meer uit deze relatie, als dat al het juiste woord is voor wat zij hebben, dan hij. Zij wilt dat hij bij haar blijft elke keer dat ze de liefde bedreven hebben. Zij wilt zijn warme lichaam tegen haar aantrekken, met hem in slaap vallen. Zij wilt dat hij van haar is, alleen van haar.

“Ik wil niet alleen zijn. Niet vanavond.”

“Morgen wil je ook niet alleen zijn. En overmorgen, en volgende week, en de week daarna.”
Zij staat in de opening van de deur naar de woonkamer, kijkt naar beneden, haar blote voeten op de koude vloer.
“Ik kan niet blijven, dat weet je.”
Donkerblonde strengen haar vallen voor haar ogen. Ze ziet er breekbaar uit, alsof ze elk moment voorover kan vallen. Hij ziet het ook, maar negeert het, draait zich van haar weg.
“ Ik moet nu echt naar huis.” Hij maakt de knopen van zijn zwarte, lange jas behendig dicht. “Ze wachten op me.”

Hij duwt de deurknop naar beneden, stapt over de drempel naar buiten en verdwijnt.
“Tot ziens,” fluistert zij tegen een dichte deur.

Ik wou dat ik het kon
de tweestrijd aangaan met mijzelf
De grens opzoeken die mij doormidden splijt
de scheidingslijn tussen het ultieme en het werkelijke

Ik wil op het randje balanceren,

weten hoe het voelt
Kijken of het beter is, fijner is
met mijn eigen ogen zien hoe het ook zou kunnen

Zo intens gelukkig

ben ik nog nooit geweest